In Fort McMurray ofwel Fort Mac genoemd door de routiniers (ben ik dat nu ook?) werden we opgewacht door Tom, Bob en Mel, de afvaardiging van de opdrachtgever Imperial Oil Resources (een onderdeel van Esso). Eerst hebben we een auto gehuurd en vervolgens een helm gepast, want die hadden we nodig voor ATV's. Vervolgens zijn we eerst naar de Oilsands Lodge gereden, een soort guesthouse/hotel voor mensen die in de oilsands werken en ter plaatse onderdak nodig hebben. De meeste hotels staan in Fort Mac en dat is toch weer een uurtje rijden. Om het 'hotel' een beetje knap te houden moest iedereen zijn schoenen uit bij de ingang en als held op sokken verder.

Vervolgens ging de reis naar het eind van Highway 63 en het begin van de Fort Chipewyan Winter Road (FCWR). Deze 'weg' is een 10 m breed mul zandpad en slechts van begin december tot begin maart open voor verkeer. Hij is dan dusdanig besneewd, bevroren en van ijsbruggen over de diverse beekjes/rivieren voorzien, dat deze berijdbaar is en de enige landonsluiting vormt voor (vracht)verkeer naar Fort Chipewyan, een plaatsje 230 km naar het noorden aan Lake Athabasca. Een onderdeel van het project waar ik aan werk is het omvormen van een deel van dit zandpad tot een echte (gravel) weg, zie foto's ervoor en erna.


Vanwege het ruwe terrein reden we in van die off the road wagentjes, Argos, Polaris, Artic Cats, er zijn verschillende namen voor, maar een foto spreekt boekdelen.
Echt reuze gaaf, ik heb er uiteraard ook in gereden en met 50 km/u (clicks noemen ze dat hier) over het zandpad gereden. Er zijn mensen die betalen er een hoop geld voor om dit te doen, maar wij werden er voor betaald, fantastisch toch!?!We zijn 2 dagen kris kras door het bos gereden, uiteraard over de paden, want die karretjes kunnen een hoop hebben, maar door bomen heen gaat echt niet. Sommige van die paden waren echter 10-15 jaar geleden gekapt en inmiddels weer redelijk begroeid of voorzien van omgevallen bomen . Door/over kleine struiken en boompjes konden die voertuigen wel heen bushwacking noemden ze dat en de omgevallen bomen (dead fall) waar we niet overheen konden werden door Mel met de kettingzaag verwijderd.

Het hele bos was overigens vergeven van de muggen, vandaar dat we goed ingepakt en waren en sommigen een muggennetjes hadden. Goed spuiten met Off Deep Woods (een soort Autan, maar dan sterker) was beslist nodig.

Uiteraard waren er ook de nodige drassige gebieden, een bos kan alleen zo groen zijn als er een hoop regen valt. Aan het einde van de hellingen komt de regen er als grondwater weer uit en geeft allerlei planten, sponsachtige mossen etc de gelegenheid om een soort veen te vormen, muskeg noemen ze dat hier. Dit Muskeg is een nogal verradelijk goedje dat veert als je er overheen loopt en waar al hele buldozers in verdwenen zijn, oppassen geblazen dus. Uiteraard hebben wij ook ons portie vastzitten - loslieren gehad, wat alleen maar aan de feestvreugde bijdroeg.

We hebben het gebied ook vanaf de oever van de Athabasca River bekeken, waar we ook verse beren sporen aantroffen. Het was dus niet helemaal onzin dat we pepper spray bij ons hadden.

De derde dag zijn we over de Canterra Road, langs de Muskeg River Mine en de Jack Pine Mine beide van Shell, naar de toegangsweg van ons project gereden en de bruglocatie bekeken. Deze tocht was wat minder spectaculair, maar ook qua natuurschoon zeer de moeite waard. Het is raar als je je realiseert dat alles wat je daar aan natuur ziet, tussen nu en 50 jaar verdwenen is omdat de grond afgegraven wordt om de onderliggende oliezanden op te graven. Gelukkig zitten er in elke concessie een verantwoordelijkheid om de natuur weer te herstellen en elders zijn daar ook al voorbeelden van. De vruchtbare bovengrond met alle zaden erin wordt apart gehouden en gebruikt om het gereinigde zand weer af te dekken. Het bos groeit dan weer vanzelf terug.
Omdat we nog wat tijd over hadden hebben we nog even stilgestaan bij een gepensioneerde dragline. Probeer aan de hand van deze foto's even een beeld te vormen hoe groot dat ding is. Dat kleine mannetje op de voorgrond is ongeveer 2 meter.

Het jongetje en ik staan hier in de bak van die grote oranje dragline. Je kunt er gemakkelijk een gezin in huisvesten.
Dit is de fabriek van Syncrude, een van de eerste installaties. Er hangt hier de geur van een asfaltwerk in de lucht. Op de voorgrond zie je een stukje van de tailings area, het gebied waar het water-klei-zand mengsel wat overblijft kan bezinken. Zie het schrille contrast met de eerdere foto's van de uitbundige natuur.
Al met al waren het drie vermoeiende en geslaagde dagen in deze vreemde wereld van Oilsands. Alles doet heel onwerkelijk aan, het contrast natuur-winnings gebied, de afmeting van alles (per fabriek wordt er 300.000 barrels per dag geproduceerd, per barrel is 2000 m3 grondverzet nodig, er zijn nu al drie grote fabrieken, twee in aanbouw en nog drie onderweg en de investeringen worden nog eens opgeschroefd, kun je nagaan). Wat rest is het schrijven van een rapport met de bevindingen. Ik denk dat ik ga aanbevelen dat ik het gebied ook maar eens in de winter moet gaan bekijken, het zal frisjes worden, maar de moerasgebieden zijn dan goed toegankelijk en het voegt weer een dimensie toe.